In het vorige hoofdstuk heb je jezelf gepositioneerd in de context van je gezin van herkomst. En wellicht ook nog in de grotere context van je familie-systeem.

In dit hoofdstuk gaan we kijken naar jou en het systeem van je werksituatie. We stellen in dit hoofdstuk de volgende vraag:

Welke positie neem jij in, als je kijkt naar:

  • Je werksituatie. Kies voor jezelf wat het beste past, op dit moment. Wellicht doe je ze allemaal:
    • je sub-team
    • je team
    • de hele organisatie

Maak voor jezelf een opstelling. Begin weer als volgt:

  • Neem de tijd en zorg er voor dat je niet gestoord wordt (telefoon uit, niemand in de buurt)
  • Zoek voor jezelf een ‘werkruimte’. Een ruimte op de grond. Dit kan thuis zijn of op je werk.
  • Positioneer jezelf mbv een symbool ergens in de ruimte op de grond
  • En als je dan een symbool voor je collega x neemt, waar positioneer je hem of haar t.o.v. jou?
  • Idem voor je collega y
  • etcetera voor andere relevante stakeholders in jouw werk-systeem

Tijdens het opstellen: 

  • Wat valt je op?
  • Voel je wat bij een bepaalde beweging?
  • Heb je de neiging om?
  • Welke kant kijkt iemand op?

Maak aantekeningen (achteraf)

Maak een foto van de opstelling(en) en neem deze mee naar de tweede live-dag

Optioneel: wellicht dat het voor jou ook nuttig kan zijn om jezelf te positioneren in je sportteam, politieke partij, wijkraad of andere setting waar je deel van uit maakt.
Let ook op: DE VERSCHILLEN TUSSEN VERSCHILLENDE SYSTEMEN. Bijvoorbeeld: Wat maakt dat je in het ene systeem jezelf in het midden positioneert en in een ander systeem jezelf op een afstand neerzet.


Categories: